Je eerste toernooi: wat wij leerlingen vooraf vertellen
Zenuwen horen erbij. Merel over inschrijven, inspelen, tellen en waarom je eerste toernooi vooral een test van je routine is.

Ergens tussen speelsterkte 8 en 7 komt bij de meeste leerlingen de vraag: zou ik eens meedoen aan een toernooi? Ons antwoord is altijd ja, en vooral niet te lang wachten. Wie wacht tot hij er klaar voor is, wacht te lang. Hieronder wat wij leerlingen vooraf meegeven.
Kies een toernooi op jouw speelsterkte
Toernooien bij verenigingen worden ingedeeld op speelsterkte. Schrijf je in voor jouw eigen categorie, niet een hoger, ook al win je op de training van iedereen. In je eigen categorie speel je wedstrijden die spannend zijn, en dat is precies waar je van leert. Voor je eerste toernooi raden wij een dubbel aan, samen met iemand die je kent. Je staat dan niet alleen en je hebt iemand om de telling mee te checken.
Zenuwen zijn normaal
Bijna iedereen speelt de eerste games slechter dan op de training. Dat komt niet doordat je het niet kunt, maar doordat je lichaam andere dingen doet onder spanning: je beweegt minder, je zwaait korter en je kijkt minder naar de bal. Wij zeggen altijd: maak in de eerste games je slag af. Liever een bal in het net met een volle zwaai dan een korte duwbal die je tegenstander kan afmaken.
Inspelen is geen wedstrijd
Je krijgt meestal vijf minuten om in te spelen. Gebruik ze om je ritme te vinden: eerst rustige ballen in het midden, dan een paar volleys en tot slot vijf of zes opslagen. Probeer niet indruk te maken. Je tegenstander kijkt niet naar je, die is net zo zenuwachtig.
Tel hardop
Bij toernooien zonder scheidsrechter tel je zelf. Wie serveert, noemt de stand voor elk punt. Het voorkomt discussie en het helpt je zelf om bij de les te blijven. Twijfel je of een bal in of uit was aan jouw kant, dan is hij in. Zo werkt het, en het scheelt veel gedoe.
Een routine tussen de punten
Het verschil tussen een goede en een matige wedstrijd zit vaak in de twintig seconden tussen de punten. Draai je om, loop terug naar de achterlijn, haal adem en bepaal één ding voor het volgende punt: diep spelen, naar de backhand serveren, of gewoon de bal in houden. Wij oefenen dat in de lessen voor gevorderden met wedstrijdvormen waarin je punten echt telt.
Na afloop
Schrijf op dezelfde avond drie dingen op: wat ging goed, wat ging mis en wat je volgende keer anders doet. Neem dat briefje mee naar je volgende les. Daar hebben wij meer aan dan aan de uitslag.